HOME      EMAIL      CONTACT      LINKS      AGENDA      METERSCHAP      PETERSCHAP      KLAVIERMENU      Nieuw      Print


HOME

Donkere periode


Op 20-jarige leeftijd was mijn opleiding om in de beschutte werkplaats te kunnen werken ten einde. Vanaf dat ogenblik werkte ik er 5 dagen per week. Ik maakte trekkers voor dweilen, pakte koekjes in, maakte sigaren en moest vijzen tellen voor meubels. Ik deed dat werk niet zo graag. De sfeer was niet goed en er werd geen rekening gehouden met onze mening. Ik werkte er tot 1985.
 

Toen brak er één van de moeilijkste periodes in mijn leven aan. Het meisje waar ik verliefd op was, kwam om in een brand. Ik kon haar geen laatste groet brengen. Dat was verboden. Ik zat compleet in de put en wou zelfmoord plegen. De directie van Tordale toonde totaal geen begrip. Ze stuurden me naar "Beernem" (psychiatrische instelling). Ik sloot me af van Tordale. Ik wou geen contact meer hebben met de directeur. In Beernem werd ik goed opgevangen door een verpleegster die er stage liep, maar niet door de dokter. Die schreef onmiddellijk pillen voor. Ik verbleef er 3 maand. Daarna keerde ik terug naar Tordale en de beschutte werkplaats. Ik had geen andere keuze. Ik wou graag naar een andere beschutte werkplaats, maar ze werkten me tegen. Er werd altijd gezegd dat Tordale één van de beste instellingen was.
 

In die tijd kon ik niet meer werken en trok ik een invaliditeitsuitkering. Ik kon me nergens meer op concentreren. Ik ging wel naar een dagcentrum in Torhout-Oost dat echter ook van Tordale afhing. Ik werkte er in de tuin, vlocht stoelen, bond boeken, werkte in het zeefdrukatelier en maakte dozen. 's Avonds trok ik naar Wijnendale, waar ik in een huis van de instelling met 14 anderen en 4 opvoeders samenleefde. Bij het stoelen vlechten kon ik mijn gedachten er wel bijhouden. Toen ze zagen dat het me goed deed, werd ik definitief naar een bezigheid in Torhout-Oost gestuurd. Ik verhuisde – tegen mijn zin in – van Wijnendale naar Lichtervelde. Hoewel ik liever naar Ieper wilde gaan om dichter bij mijn pleegmoeder te zijn. Bij haar voelde ik mij erg op mijn gemak. Zij kende me al van kindsbeen af. Zij begreep me. Bij haar zat ik niet meer tussen die 4 muren.
 

Via een medebewoner en tevens voorzitter van deze vereniging, leerde ik Onze Nieuwe Toekomst (een vereniging voor en door personen met een verstandelijke handicap) kennen. Hij nodigde mij ter kennismaking uit op een vergadering. Na afsluiting werd ik meteen kernlid. Ik kon er eindelijk mijn mening kwijt.