|
HOME
Mijn kinderjaren
0 – 3 jaar Vlak na mijn geboorte werd ik in de instelling "Het Kribbeke" in Oostende geplaatst, want in het gezin was er geen plaats voor een persoon met een handicap. 3 – 14 jaar Op 3-jarige leeftijd verhuisde ik naar Ieper, naar "Ons Tehuis", waar ik tot mijn 14 jaar verbleef. Ik beleefde daar een gelukkige kindertijd. We leefden in een groepje van 30 kinderen. Er waren 2 opvoeders die goed voor ons zorgden. We konden steeds bij hen terecht. Ze gaven ons de nodige aandacht. Er was steeds één opvoeder die nachtdienst deed. Ik kwam er in contact met veel mensen, we maakten uitstapjes (b.v. naar de Kattenstoet, naar het zwembad), zongen in het koor, traden op voor de bejaarden en de 'moeders en vaders' waren erg vriendelijk. Ook met de mensen buiten de instelling was het contact goed. In de zomer gingen we steeds naar het speelplein om met andere kinderen te spelen. We gingen ook op kamp naar Herbeumont en naar Duitsland in een soort pleeggezin (Belgische soldaten die daar gelegerd waren, vingen ons een week op in hun gezin). Na een telefoontje van de directeur van "Ons Tehuis" kon ik terecht in het gezin van de heer Goethals in Ieper. Eerst ging ik een dag om te kijken of het klikte met het gezin. Het klikte onmiddellijk, maar ik was wel nog schuw. Ik heb hen ook direct aanvaard als vader en moeder. Ook het contact met hun kinderen verliep goed, we hadden vrijwel nooit ruzie. We konden goed opschieten met elkaar. Het gebeurde wel eens dat moeder ziek was en de kinderen zich afvroegen, waarom ik niet kwam. Dan kwam ze me toch halen, maar wel maar voor een dag. Ook met de andere bewoners van Sint-Jan (Ieper) was het contact hartelijk. Met Pasen gingen we zelfs eieren verkopen. Kortom, een leuke tijd! 14 – 18 jaar Op 14-jarige leeftijd trok ik naar Tordale, een instelling voor mensen met een verstandelijke handicap, in Torhout. Daar heb ik hoofdzakelijk slechte herinneringen aan. Ik werd van de buitenwereld afgesloten. Ik had geen contact meer met kinderen buiten de instelling, er waren enkel jongens, want de instelling werd geleid door broeders. De schoonmaak, het herstellen van de kleren en het bereiden van de maaltijden werd echter door de enige aanwezige zuster gedaan. De opleidingen waren altijd gericht naar een job in een beschutte werkplaats of een bezigheid. Er werd niet geluisterd naar wat we echt wilden leren. Beloftes werden niet nagekomen. Lessen over voortplanting waren taboe. Ik heb altijd gedacht dat kinderen uit bloemkolen kwamen. Ik kon nergens terecht met mijn vragen. De instelling "controleerde" alles! Ik kon en mocht zelf niets beslissen. Ik heb me altijd opgesloten gevoeld. Ik wilde niet meer leven, toch niet binnen de 4 muren van de instelling. Ik was niet meer die vrolijke jongen van vroeger.
|